Er zijn twee soorten vogelgriepvirussen te onderscheiden die de ernst van de ziekte voor kippen aangeven: hoog-pathogene (HPAI) en laag-pathogene aviaire influenza (LPAI) virussen.

Hoog-pathogene aviaire influenza virussen (HPAI)

In Nederland wordt een (vogelpest of hoog pathogene aviaire influenza)-virus infectie bij pluimvee snel ontdekt. Dit komt omdat pluimvee erg ziek wordt en er zeer strikte veterinaire meldingscriteria gelden. Infecties met HPAI-virussen veroorzaken een exponentieel toenemende sterfte onder het pluimvee. 

Naast vogels, kunnen ook mensen en (wilde) zoogdieren geïnfecteerd raken met HPAI-virussen. Sinds 2021 zijn er in Nederland verschillende wilde zoogdieren besmet geraakt met HPAI H5N1 virussen. Later zijn deze virussen ook bij katten en koeien aangetroffen.  

Voor de algemene bevolking wordt het risico op vogelgriep zeer laag ingeschat. Alleen personen die in intensief contact komen met besmet pluimvee hebben een matig risico. Denk aan pluimveehouders, dierenartsen en ruimingsploegen (zie risico inschatting (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)-website). In Nederland is in 2003 een dierenarts overleden doordat hij geïnfecteerd raakte met HPAI H7N7 virus bij bezoek aan een besmet pluimveebedrijf.

Laag-pathogene aviaire influenza virussen (LPAI)

In Nederland vinden verschillende introducties plaats van (laagpathogene aviaire influenza)-virussen op pluimveebedrijven. De laag-pathogene aviaire influenze virussen worden in tegenstelling tot de hoog-pathogene aviaire influenza virussen vaak niet opgemerkt, omdat de kippen zelf weinig of geen ziekteverschijnselen laten zien.

Pluimveebedrijven met uitloop hebben een hoger risico op introductie van LPAI. In de jaren dat er een ophokplicht wordt ingesteld om infecties met HPAI-virussen te voorkomen, zijn er ook minder introducties van LPAI-virussen.

Er zijn in de internationale literatuur gevallen beschreven van infecties van mensen met LPAI H7 en H9 virussen. Daarbij was echter vrijwel altijd sprake van direct contact met besmet pluimvee. Bij deze enkele humane infecties in de Westerse wereld was er sprake van een ooginfectie zonder ernstige medische gevolgen.

Gezondheid en omwonenden

In de wetenschappelijke literatuur is geen enkele besmetting van de mens met LPAI of met HPAI beschreven waarbij infectie vanuit een nabijgelegen pluimveebedrijf als oorzaak werd genoemd. 

Direct contact met besmet pluimvee is de belangrijkste transmissieroute voor infecties bij mensen. Omdat omwonenden van een pluimveebedrijf niet in direct contact komen met besmet pluimvee, wordt het risico op infectie als uiterst klein ingeschat. Er is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een risico-inschatting gemaakt of overdracht van vogelgriepvirus via drinkwater mogelijk is. Als drinkwater goed wordt gezuiverd, is dit geen risico.

Het RIVM heeft binnen het Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) onderzoek bloedonderzoek uitgevoerd bij mensen die in een gebied wonen met veel veehouderijen in de omgeving. Hieruit wordt geconcludeerd dat een klein deel van de bevolking antistoffen lijkt te hebben tegen een aviair influenzavirus. Echter, een duidelijke relatie met de nabijheid tot pluimveehouderijen is daarbij niet gevonden.
 

Uitbraken met het hoog-pathogene (HPAI) H7N7 virus in 2003 waren vooral in de Gelderse Vallei en in Limburg. Daarbij was sprake van overdracht van vogelgriepvirus tussen bedrijven; overdracht via verplaatsen van materialen, voertuigen en personen was in 2003 de belangrijkste risicofactor. Daarnaast was een klein deel van de infecties mogelijk het gevolg van verspreiding via de lucht over korte afstanden. 

Sinds 2014 veroorzaken (vogelpest of hoog pathogene aviaire influenza) H5-virussen die circuleren onder wilde vogels regelmatig uitbraken op pluimveebedrijven. 2022 was een extreem jaar wat betreft vogelgriepuitbraken, waarbij bijna 100 pluimveebedrijven besmet raakten met HPAI H5N1 virus en geruimd moesten worden. De meerderheid van de besmettingen sinds 2014 leken op zichzelf te staan en veroorzaakt te zijn door losse introducties vanuit wilde vogels (primaire infecties). Dit weerspiegelt zich in het feit dat de nabijheid van waterwegen en wilde watervogels leidt tot een hoger risico op introductie van vogelgriepvirus. Voor een minderheid van de gevallen is het wel aannemelijk dat tussen-bedrijfstransmissie een rol heeft gespeeld, ondanks het feit dat er geen contactroutes zijn getraceerd. Deze gevallen zijn gegroepeerd in enkele uitbraakclusters, waarbinnen de uitbraken plaatsvonden in korte tijd en op relatief korte afstand van elkaar en waarbij de genetische sequenties van de virussen aangetroffen op deze bedrijven sterk met elkaar overeenkwamen. Het is echter niet uit te sluiten dat deze clusters deels of geheel worden verklaard door één gemeenschappelijke infectiebron vanuit wilde vogels. De meeste bedrijven zijn besmet geraakt na het instellen van een ophokplicht voor pluimvee. 

Ook laag pathogene (LPAI) uitbraken op pluimveebedrijven zijn merendeels losse besmettingen geweest, waarbij geen virus verspreiding tussen bedrijven is geweest. Bij pluimvee vindt er in het kader van detectie van (laagpathogene aviaire influenza)-vogelgriep een standaard monitoring plaats. Op alle pluimveebedrijven wordt jaarlijks minimaal 1x bij een steekproef van de aanwezige kippen bloedmonsters onderzocht op antistoffen tegen vogelgriepvirussen. Op uitloopbedrijven wordt 4x per jaar bemonsterd en getest, op kalkoenbedrijven wordt elke productieronde (deze duurt 18 weken) bemonsterd en getest.

De kans dat een pluimveebedrijf met uitloop besmet raakt is groter dan bij een bedrijf zonder uitloop. Er is geen literatuur (beschreven gevallen in het verleden) waaruit blijkt dat de kans op besmetting met vogelgriep voor omwonenden van een pluimveebedrijf verhoogd is. Vogelgriepvirussen worden overgedragen door direct intensief contact met besmet pluimvee, de kans dat omwonende besmet raken is daarom zeer gering. 

Legbedrijven met een vrije-uitloop hebben in Nederland gemiddeld een crica 6x hogere kans op besmetting met een (laagpathogene aviaire influenza) virus dan legbedrijven zonder uitloop. Waarschijnlijk komt dit door de mogelijkheden voor direct contact met wilde (water)vogels of hun uitwerpselen. 

Wilde watervogels vormen het natuurlijke reservoir van de LPAI-virussen. Echter, in 1996 is het (vogelpest of hoog pathogene aviaire influenza) H5N1 virus ontstaan in de pluimveesector in China, waardoor uiteindelijk ook wilde vogels besmet zijn geraakt met dit virus (spill-over). Het HPAI H5-virus circuleert nu onder wilde trekvogels over de gehele wereld. Ook in Nederland worden sinds 2014 regelmatig met HPAI H5-virus besmette wilde vogels gedetecteerd. 

Om besmetting van pluimvee te voorkomen werd de afgelopen jaren met regelmaat een ophokplicht ingesteld. Ondanks deze maatregelen zijn er nog vele pluimveebedrijven besmet geraakt, terwijl er geen direct contact was tussen pluimvee en wilde vogels of hun uitwerpselen. HPAI H5-virussen zijn zeer infectieus, en kleine hoeveelheden virus die toch de stal in komen kunnen al een uitbraak veroorzaken. Hoe deze virus deeltjes de stal dan binnenkomen is onvoldoende over bekend. 

De frequente aan- en afvoer van kippen wordt niet gezien als een belangrijke bron van introductie van vogelgriepvirus. Echter, als pluimvee van verschillende leeftijden op een bedrijf verblijft, verhoogt dit de kans dat een eenmaal ingesleept (laagpathogene aviaire influenza)-virus langdurig (over een langere periode) aanwezig blijft op het bedrijf. Dat komt omdat steeds nieuwe vatbare dieren worden toegevoegd. 

Als er fysieke afscheiding (hekwerk) is tussen de verschillende units op een vleeskuikenbedrijf en een goede uitvoering van bioveiligheidsmaatregelen (onder andere hygiëne), verkleint dit de kans op verslepen van vogelgriepvirus van de ene naar de andere unit. In het algemeen zal een all-in-all-out systeem op een bedrijf (slechts één leeftijd dieren aanwezig) de kans op infectieuze aandoeningen verkleinen. 

(vogelpest of hoog pathogene aviaire influenza)-virussen kunnen nooit langdurig op een bedrijf circuleren, onafhankelijk van de eventuele aanwezigheid van meerdere leeftijden. Wanneer een HPAI-virus wordt aangetoond op een bedrijf, wordt namelijk het pluimvee geruimd. Ook wordt een protocol van reiniging en ontsmetting gevolgd.

Legkippenbedrijven lopen over het algemeen een hoger risico op besmetting met vogelgriep in vergelijking met vleeskuikens. Dit komt door een hogere mate van blootstelling aan virussen. Legkippen verblijven namelijk langer op het bedrijf, worden gehouden in grotere koppels, en legkippenbedrijven hebben soms lagere bioveiligheidsmaatregelen (vooral bij vrije uitloop).

Bij vleeskuikens is het risico over het algemeen kleiner. Dit komt omdat vleeskuikens korter verblijven op het bedrijf en zo de risicoperiode voor virusintroductie verkort. Echter vleeskuikens kunnen ook besmet raken. Er zijn sinds 2014 op verschillende bedrijven uitbraken van (vogelpest of hoog pathogene aviaire influenza) H5-virussen vastgesteld.

Ja, vrije uitloop verhoogt het introductierisico, en biologische bedrijven hebben per definitie een vrije uitloop.

  • Er is een meldingsplicht voor bepaalde besmettelijke dierziekten zoals hoogpathogene vogelgriep (HPAI) en ook voor twee laagpathogene varianten (H5 en H7). Dat betekent dat een veehouder of een dierenarts direct melding moet maken bij de (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit) (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit) als hij of zij een besmettelijke dierziekte vermoedt. De afhandeling van een meldingsplichtige of bestrijdingsplichtige zoönose bij dieren zoals vogelgriep is vastgelegd in landelijke draaiboeken. Betrokken partijen kunnen ook op andere manieren signalen krijgen voor niet-meldingsplichtige zoönosen bij mens of dier. Voor humane signalen verloopt dit vaak via (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst) (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst), huisartsen, ziekenhuizen en (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Voor veterinaire signalen via Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), Universiteit Utrecht/Faculteit Diergeneeskunde, NVWA en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). 

    Het vervolg hangt af van het soort virus: 

  • Als het signaal om urgente actie vraagt zal het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) /NVWA direct elkaar en het landelijk Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM inschakelen. Het (Centrum Infectieziektebestrijding (onderdeel van het RIVM)) zal dan, afhankelijk van de ernst van de situatie, de zoönosenstructuur volgen en bijvoorbeeld een Response team zoönosen (RT-Z), een Deskundigenberaad zoönosen (DB-Z) of een 'Outbreak Management Team Zoönosen' (OMT-Z) instellen, dat zorgt voor de verdere aanpak. De aanpak volgt de lijn van de infectieziekte bestrijding, waarbij uniek is dat de veterinaire partijen en stakeholders ook worden betrokken bij de bestrijding. Deze aanpak kan nu heel snel verlopen, afhankelijk van de alertheid van de veehouder, dierenarts, huisarts/specialist. 
  • Bij minder urgente signalen voor een zoönose loopt de route via de eerste schakel van de zoönosenstructuur: het signaleringsoverleg zoönosen (SO-Z). Deelnemers hieraan zijn: (Gezondheidsdienst voor Dieren) (Gezondheidsdienst voor Dieren), RIVM, GGD, Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Universiteit Utrecht Faculteit Diergeneeskunde (UU Universiteit Utrecht /FD), Dutch Wildlife Health center (DWHC) en NVWA. Hier wordt een eerste risicobeoordeling gedaan en afhankelijk van deze uitkomst wordt het signaal wel of niet doorgegeven aan de volgende schakel in de zoönosenstructuur, waarna eventueel bovenstaande opvolging plaatsvindt.

Verdenkingen en bevestigde uitbraken van vogelgriep bij pluimvee worden door de LVVN ter kennisgeving doorgegeven aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wordt pas betrokken bij humane gevallen nadat deze door diagnostiek bij het RIVM zijn bevestigd. Bij bijzondere gevallen, zoals bij besmette katten of koeien, vindt direct overleg plaats tussen LVVN en VWS. Hoewel VWS doorgaans geen concrete rol heeft, houden LVVN en VWS elkaar op de hoogte van actuele situaties en staan ze in nauw contact.

In geval van vastgestelde (vogelpest of hoog pathogene aviaire influenza) op een pluimveebedrijf zijn zowel de NVWA als de GGD betrokken. De NVWA draagt zorg voor humane maatregelen. Medewerkers en eventuele gezinsleden die wonen op het bedrijf krijgen voorlichting. Individuen die onbeschermd zijn blootgesteld aan besmet (pluim)vee krijgen het antivirusmiddel oseltamivir (en indien van toepassing griepvaccin) aangeboden. Ook wordt hen gevraagd om deel te nemen aan de actieve monitoring naar mogelijke besmettingen. Hierbij worden personen zonder (luchtweg)klachten getest op HPAI om vroegtijdig eventuele infecties te kunnen detecteren. Onafhankelijk daarvan worden blootgestelde individuen gevraagd contact op te nemen met de GGD bij het ontstaan van luchtwegklachten of bijvoorbeeld ooginfecties welke kunnen duiden op een infectie met vogelgriep. Dergelijke verdenkingen worden getest op vogelgriep. 

Diagnostiek van zowel de actieve monitoring als de verdenkingen vindt op het RIVM plaats, in samenwerking met de betrokken GGD. Voor mensen die eenmalig/kortdurend op het bedrijf aanwezig zijn zonder direct contact met besmette dieren of dierproducten zijn geen maatregelen nodig.

Er zijn voor omwonenden geen extra beschermingsmaatregelen nodig in het geval van vogelgriep. Maatregelen worden alleen geadviseerd voor mensen die langdurig of intensief zijn blootgesteld aan besmette dieren (veehouders, hun gezinsleden en medewerkers), en voor mensen die intensief contact hebben met besmette dieren of dierlijke producten (bijvoorbeeld mest): zoals medewerkers van de (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit) (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit), ruimers, dierenartsen, en dergelijke.