Maandag 9 oktober vond ons jaarlijkse symposium plaats. Dit jaar konden we terecht in het Provinciehuis van Overijssel in Zwolle, dankzij de gastvrijheid van de provincie Overijssel. Diverse sprekers hebben ons uitgedaagd om na te denken over de visie van de nieuwe generatie boeren, ook inspireerden zij ons over hoe de veehouderij van de toekomst eruit zou moeten komen te zien. Lees nu hier het verslag.

Nuance uitdaging in belangafwegingen omgeving en veehouderij

Veehouderij en omwonenden zijn met elkaar verbonden, maar hun belangen verschillen. Bij de gebiedsinrichting is het van belang een balans te vinden tussen de belangen van mens, dier en ecosysteem. Dat is geen eenvoudige opgave, aldus Overijssels gedeputeerde Tijs de Bree tijdens het symposium ‘Veehouderij van de toekomst en gezondheid omwonenden’. “Het is moeilijk nuances aan te brengen in besluitvorming.”

Hoe ziet de veehouderij van de toekomst eruit en hoe verhoudt zich die ontwikkeling tot de gezondheid van omwonenden? Die vragen stonden centraal tijdens het symposium van het Kennisplatform Veehouderij en Humane Gezondheid op 9 oktober in het provinciehuis in Zwolle. “In het afwegen van alle belangen is het moeilijk om alle nuances mee te nemen”, constateerde Overijssels gedeputeerd Tijs de Bree bij de opening van het symposium. Bij de provinciale besluitvorming leunen bestuurders in grote mate op de kennis van het ambtelijk apparaat. “Het is dan ook belangrijk dat zij goed op de hoogte zijn en blijven van informatie over de effecten van veehouderij-activiteiten op humane gezondheid en omgeving”, aldus De Bree. Hij benadrukte daarbij het belang van een gebiedsgerichte aanpak. “In Overijssel hebben we veel landbouw en een enorme natuuropgave. Daarin zullen andere afwegingen een rol spelen dan in een provincie als Zuid-Holland.”

Perspectief jongeren

Maria Geuze van het Slow Food Youth Network (SFYN) hield een vlammend betoog om bij het afwegen van belangen in de keuze voor de toekomst, vooral de stem van de jongeren niet te vergeten. Zelf maakt ze deel uit van een netwerk dat op het oog tegenstrijdige belangen met elkaar verbindt. “Binnen het Groenpact Jongerenplatform brengen we de dialoog op gang. Met succes. Als je het op de juiste manier faciliteert, kunnen jonge klimaatactivisten gewoon een goed gesprek voeren met jonge boeren”, aldus Geuze. 
Ongeacht de achtergrond of idealen, elke jongere heeft een hang naar perspectief voor de toekomst. Geuze signaleert dat er in de media, maar ook in beleid en politiek weinig ruimte is om over de eigen schaduw heen te stappen en samen het gesprek te voeren over een visie op de toekomst. Los van die bekende arena’s blijkt het wel mogelijk om dat gesprek te voeren, onzekerheden te delen, kernwaarden uit te wisselen. “In die veilige omgeving wordt de basis gevonden voor de overeenkomsten en worden verschillen niet uitvergroot. En dan blijkt het ineens wel mogelijk samen bruggen te bouwen.” 
Jonge boerin Marrit Kyung Ok Schakel (lid van SFYN) pleit voor een integrale benadering. “Als je je open stelt voor een ander en niet oordeelt, kun je samen stappen maken.” Zij probeert dat waar te maken op het eigen kleinschalige biologische veehouderijbedrijf. De eigen bedrijfsvoering is dag en nacht verschil met die van de buurman, die een bedrijf heeft met 300 koeien waarvan drie gezinnen moeten leven. “De plannen voor vernatting van onze polder hebben op zijn bedrijf heel andere consequenties dan op dat van ons. Welke? Dat weten we beiden nog niet, maar het is wel belangrijk dat we met elkaar in gesprek blijven en kennis en ervaringen uitwisselen. We willen immers allebeide vooruit met ons bedrijf.”

Zoönosen

Veranderingen in voedselsystemen zoals de door Kyung Ok Schakel geschetste vernatting van het Groene Hart beïnvloeden de interacties in het systeem. “Dergelijke systeemveranderingen zijn een belangrijke trigger voor de verspreiding van zoönosen, zeker in een land als Nederland waar we met veel mensen en dieren op een kleine oppervlakte leven”, aldus Joke van der Giessen, veterinair microbioloog bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 
Vanwege de potentiële gevaren, staat zoönose-onderzoek hoog op de agenda bij veel verschillende onderzoekers en instanties. “We doen bijvoorbeeld elk jaar een steekproef bij 200 bedrijven in een dierhouderijsector om een beeld te krijgen van de aanwezige ziekteverwekkers.” Hierbij worden zowel de veehouder (RIVM) als de dieren en bedrijven (Wageningen Food Safety Research) onder de loep genomen.  
Van der Giessen benadrukt net als De Bree en Kyung Ok Schakel nogmaals het belang van een geïntegreerde benadering. “Als je nu kijkt naar de kerndoelen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), dan zijn de kerndoelen gericht op natuur, water en klimaat. Gezondheid is gedefinieerd als een meekoppelend doel. Dat is niet genoeg. Ik roep alle beleidsmakers en betrokken instanties op om bij beleidskeuzes ook aan gezondheid te denken”, aldus Van der Giessen.

Keurmerk

Via het keurmerk Zoönosen kunnen bedrijven met een publieksfunctie aangeven dat zij bewust omgaan met gezondheidsrisico’s als gevolg van zoönosen. De Gezondheidsdienst voor Dieren (Royal GD Gezondheidsdienst voor Dieren (Gezondheidsdienst voor Dieren)) in Deventer ontwikkelde dit keurmerk, waaraan inmiddels 1700 bedrijven deelnemen. “Veelal bedrijven met een publieksfunctie”, aldus Lotte Roos van Royal GD. Deelname aan het keurmerk is vrijwillig, maar niet vrijblijvend, benadrukt Roos. “Het keurmerk is er vooral gericht op bewustwording.” Dit wordt met name gerealiseerd doordat een gesprek tussen veehouder en dierenarts voor het invullen van de checklist, een verplicht onderdeel is in het stappenplan voor het krijgen van het keurmerk. “Toekenning van het keurmerk biedt geen garantie dat er op zo’n bedrijf geen zoönose aanwezig is, maar draagt wel bij aan het verkleinen van de risico’s doordat de bewustwording bij de ondernemer wordt vergroot.”
Dagvoorzitter Simone van Trier stelt aan het eind van het plenaire programma vast dat op basis van de presentaties al veel goede stappen worden gezet. “Om het integraal denken op gang te brengen en te houden, moeten we vooral over onze eigen schaduw heen stappen. Ik wens u allen toe dat u dat doet.”

Workshops

Beleving hinder en gezondheid

‘Ervaren gezondheid’ is de sleutel voor begrip en voor een gesprek, zo bleek tijdens de workshop waarin GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst) Hart voor Brabant en het Louis Bolk Instituut ingingen op beleving van hinder en gezondheid. Beide partners ontwikkelden hiervoor een methodiek en een app die inzicht geven in de beleving van hinder en gezondheid. “Het is daarbij belangrijk om contact met de daadwerkelijke veroorzaker van de hinder te hebben”, aldus Sjef Staps van het Louis Bolk Instituut. Hij gaf samen met Renske Nijdam (GGD Hart voor Brabant) een toelichting op app en methodiek. “Met behulp van workshops over positieve gezondheid, informatie over de lokale leefomgeving en een vragenlijst in de app kun je de overlast die omwonenden ervaren in beeld brengen”, vertelt Staps. Door de focus te leggen op hoe gezondheid wordt ervaren, is er ruimte voor gesprek tussen de verschillende stakeholders, ervaart hij. “Belangrijk voor het slagen van deze methode, is dat er al wel contacten bestaan tussen de verschillende partijen. Denk daarbij aan gemeente, ondernemers en bewoners of een gebiedsmanager.” Volgens Staps helpt de app om de hinder te objectiveren. “Vervolgens kan vanuit de dialoog worden verder gewerkt aan het gezamenlijk vinden van oplossingen, bepalen van vervolgstappen en geven perspectief.”

Van lineair naar circulair denken

Ons voedselsysteem is veel te lineair en dat moet veranderen, stelt Adriaan Antonis. Hij is een warm pleitbezorger voor een circulair ecosysteem. Antonis werkt als veterinair onderzoeker bij Wageningen Bioveterinary Research en is als docent betrokken bij de opleiding Diergeneeskunde in Utrecht. Volgens Antonis maakt de samenleving momenteel al de beweging weg van het lineaire systeem. “We zitten in een transitie. Zo’n fase kenmerkt zich door chaos en onrust en is dus per definitie een spannende tijd.” In zo’n overgangsfase is het kennen en herkennen van de risico’s een onzekere factor. “Maar er zijn niet alleen risico’s, er liggen ook kansen.” Een van de risico’s is volgens Antonis een grotere kans op interactie tussen mens en dier en daarmee op ziekteoverdracht. “Nederland is van nature een risicomijdend land. Voor elk risico dat we kennen, bedenken we regelgeving om het te vermijden. Die regelgeving is echter belemmerend voor systeemdenken”, aldus Antonis. In zijn werk zet de onderzoeker zich in voor het regionaal sluiten van kringlopen, waarbij hij ook de rol van de mens in de kringloop nadrukkelijk belicht. “In veel kringloopdenken worden menselijke uitwerpselen nog niet meegenomen, maar dat is een enorm waardevolle productstroom. Zonde om die weg te laten uit een kringloop.” Voor een circulaire benadering is het volgens Antonis wenselijk om af te stappen van kunstmatige begrenzingen als het gaat om het opzetten van regionale kringlopen. “Een landsgrens is geschiedkundig bepaalt, maar zegt niet waar de voedselkringloop moet beginnen of stoppen.” Volgens de onderzoeker is het van belang om samen een systeembenadering te kiezen waarin verschillende belangen hun plek hebben. “We moeten werken aan een veerkrachtig systeem met oog voor gezondheid én welzijn. Daarbij moeten we streven naar optimaliseren niet naar maximaliseren.” Om zo’n ideaal systeem te realiseren is het wenselijk om te leren van kleine initiatieven, stelt Antonis. “Maar het belangrijkste is dat we moeten beginnen het systeem in te richten en niet wachten tot iedereen met het systeem kan omgaan.”

Modellen en risicokaarten

Bij de te maken keuzes en het afwegen van belangen kunnen beleidsmakers onder andere gebruikmaken van modellen en risicokaarten. Thomas Hagenaars, epidemioloog bij Wageningen Bioveterinary Research ( WBVR Universiteit Wageningen Bioveterinary Research (Universiteit Wageningen Bioveterinary Research), onderdeel van Wageningen University & Research), belichtte in zijn bijdrage de modellen die er zijn gemaakt om de verspreidingsrisico’s van dierziekten zoals varkenspest en vogelgriep in kaart te brengen. Voor het maken van de modellen zijn gegevens gebruikt van epidemieën uit het verleden. “Met het model zijn we vervolgens in staat de risico’s op verspreiding in te schatten als de omstandigheden veranderen”, licht Hagenaars toe. De modellen werden ontwikkeld met data uit eind jaren ’90, begin jaren ’00. “Inmiddels hebben we een nieuwe uitbraak van vogelgriep en ziet de pluimveehouderij er door de schaalvergroting anders uit. Zo’n schaalvergroting heeft invloed op de kans dat een besmet bedrijf het buurbedrijf besmet.” Uit de modellen blijkt dat die kans kleiner is geworden, maar dat er nog altijd regio’s zijn waar die kans groter is dan 1, waardoor een dierziekte zich in zo’n gebied makkelijk kan verspreiden. Net als in het plenaire debat, werd ook tijdens deze workshop het belang van nuance benadrukt. “De uitkomst is niet zwart-wit. Door veranderend beleid komen natuur, productie en mens dichter bij elkaar. Daardoor verandert de dynamiek én dus ook het risico op bijvoorbeeld zoönosen”, aldus een van de workshopdeelnemers.

Ruimte voor ieders gezondheid

Aan de hand van verschillende stellingen daagde Merel Langelaar ( IRAS Institute for Risk Assessment Sciences (Institute for Risk Assessment Sciences), Universiteit Utrecht) de deelnemers van de workshop letterlijk stelling te nemen. Zij hanteerde daarvoor de aanpak van de streep in het midden. “Nadat mensen een kant hebben gekozen bij een stelling, gingen we het gesprek aan over dilemma’s en afwegingen.” In de workshop werd onder andere aandacht besteed aan de stelling ‘Moeten we alleen maar veebedrijven toestaan die geen antibiotica nodig hebben’. Ook werd er een dialoog opgezet rond de stellen ‘Moeten Nederlanders hun woonoppervlakte reduceren om veehouderij mogelijk te kunnen maken?’. Dit leverde geanimeerde gesprekken op, waarbij net als in de plenaire sessie kan worden geconcludeerd dat nuance in het gesprek belangrijk is om in gesprek te blijven, maar dat er in politiek en beleid niet altijd de (gewenste) ruimte voor is/blijkt te zijn.

Veekijker experience

Door middel een Escaperoom aanpak kregen deelnemers aan de workshop ‘the Veekijker experience’ de mogelijkheid zich te verplaatsen in de rol van de dierenarts bij de Gezondheidsdienst voor Dieren. “We geven deelnemers zo op een speelse manier inzicht in ons werk”, vertelt Lotte Roos. De symposiumdeelnemers gingen in groepen de onderlinge strijd aan om zo snel mogelijk met de juiste diagnose te komen. “Het is goed dat mensen weten welke signalen belangrijk zijn en waar de verschillen zitten als het gaat om humane en diergezondheid”, aldus Roos.

In gesprek blijven over complexe dossiers: van debat naar dialoog

Tijdens de workshop ‘Van Debat naar Dialoog: in gesprek over de veehouderij’ werd stilgestaan bij de belangrijkste verschillen tussen een debat voeren en de open, verkennende gesprekshouding die past bij een dialoog voeren. Joyce Lamerichs (Hogeschool Windesheim): “De debatcultuur maakt dat we snel geneigd zijn om een gesprek in te gaan vanuit de gedachte dat er winnaars en verliezers zijn in een gesprek. Ook de ander overtuigen van het eigen gelijk is een kenmerk van de debatcultuur; bijvoorbeeld door steeds maar meer feiten aan te dragen die de eigen positie onderbouwen, maar waardoor de inbreng en de reacties van de ander snel buiten beeld dreigen te raken. Maar hoe kun je hier verandering in aanbrengen? Wat kun je doen in een gesprek om dit om te buigen?”

Meer dan 20 deelnemers gingen in twee workshoprondes uitgebreider in gesprek over hun eigen ervaringen met complexe gesprekken met omwonenden en veehouders tijdens informatieavonden en keukentafelgesprekken. “Vrijwel alle deelnemers zijn ervan doordrongen dat het steeds belangrijker is geworden om in het werkveld verbinding tot stand te brengen. Zowel om polarisatie tegen te gaan maar ook om de ander waarachtig en oprecht het gevoel te geven dat je luistert en de ander hoort. De behoefte aan tips en adviezen over hoe je dit concreet kunt bewerkstelligen was groot”, aldus Lamerichs. Tijdens de workshop was er ruimte om de ervaringen die men zelf heeft opgedaan met complexe gesprekken te delen. Daarnaast werd er samen met een trainingsacteur kort verkend wat je kunt doen om een gesprek om te buigen: welke vraag kun je bijvoorbeeld stellen om de ander uit te nodigen om meer te vertellen? Hoe kun je je vooronderstellingen over de ander ‘uitstellen’ door andere woorden te kiezen? Behalve oefenen met de acteur werden ook vaak voorkomende stoorzenders besproken die het tot stand brengen van verbinding in gesprekken in de weg staan. Lamerichs: ‘De workshop leverde veel discussie maar ook veel herkenning op. Het was jammer dat er niet meer tijd was om alle ervaringen, knelpunten maar ook de vele mooie oplossingen die de deelnemers soms zelf al hadden gevonden, nog meer aan bod te laten komen”.

Gezonde leefomgeving in milieueffectrapportage. Hoe (gezond) dan?

Gezondheid wordt steeds vaker expliciet meegenomen in de afwegingen in ruimtelijke plannen en milieueffectrapportages. Een overkoepelende Nederlandstalige ‘handreiking’ die overzicht biedt over bestaande methodes  en uitgangspunten/principes van zo'n beoordeling van gezondheidseffecten in de leefomgeving ontbreekt echter… Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) stelt deze nu op en tijdens de workshop werden de belangrijkste stappen besproken. Loes Geelen (RIVM): “We bespraken dat in een gezonde leefomgeving de druk op gezondheid beperkt is (gezondheidsbescherming), gezond leven er makkelijk is (gezondheidsbevordering) en dat mensen zich er prettig voelen (welzijn). Naast de omgevingsfactoren verdienen ook de bevolking, beleving, stakeholders en reikwijdte en verdelingsvraagstuk een plek.” Het gesprek erover maakte voor deelnemers inzichtelijk dat de geografische schaal en type van ruimtelijke plannen erg van elkaar verschilt; en dat gezondheid in een plan-MER heel anders aan bod moet komen dan in een project-MER. Geelen: “Daarnaast werd in de workshop geconstateerd dat het nog erg moeilijk is om brede maatschappelijke opgaven zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies een plek te geven in lokale ruimtelijke afweging.” Deze bevindingen neemt het RIVM mee bij het afronden van hun handreiking.

Geurbelasting en geurhinder, wat mag je waar verwachten?

Rob van Aalsburg (GGD Hart voor Brabant) presenteerde een vervolg van het onderzoek ‘Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?’.  
“Ongeveer 1 op de 40 Nederlanders ondervindt hinder ten gevolge van de geur van veehouderijbedrijven. In regio’s met sterke concentraties van veehouderijbedrijven komt geurhinder vaker voor. Dit vraagt om regelgeving”, aldus Van Aalsburg. Om normen een gezondheidskundige onderbouwing te geven is het nodig om een adequate inschatting te maken van de relatie tussen de geurbelasting van veehouderijen en de kans op hinder bij omwonenden. Middels een vragenlijst zijn destijds 13791 omwonenden van veehouderijen bevraagd op de frequentie en mate van geurhinder die zij ervaren ten gevolge van veehouderijbedrijven in hun omgeving. Van Aalsburg licht toe: “Wij onderzochten het effect van de herziening van de geurreductiepercentages van combi-luchtwassers op de relatie tussen achtergrond-geurbelasting en geurhinder. Daarnaast is ook in beeld gebracht in hoeverre de relatie wordt beïnvloed door ruimtelijke kenmerken zoals het aantal veehouderijbedrijven of dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Met de resultaten van dit onderzoek geven we een gezondheidskundige onderbouwing voor geurnormen.”     

Continue emissiemonitoring als alternatief bij vergunningverlening

Albert Winkel (Wageningen University & Research) besprak met de deelnemers in deze workshop de kansen en uitdagingen van de nieuwe vorm van regulering met aandacht voor ammoniak, fijnstof, geur en broeikasgassen. 
Winkel legt uit: “Vergunningverlening aan veehouderijen vindt plaats op basis van modelberekeningen met vaste emissiefactoren voor in regelgeving opgenomen stalsystemen en reductietechnieken. Deze ‘middelvoorschriften’ systematiek kent een aantal nadelen. De ontwikkeling in sensoren en datasystemen stelt ons in staat om emissies op praktijkbedrijven continu te meten en vergunningen te verstrekken op basis van een emissiebudget.” De ministeries van LNV en IenW hebben een drietal landelijke adviseurs aangesteld om de ontwikkeling van emissiemonitoring en doelvoorschriftenvergunningen in een stroomversnelling te brengen. 

Gezondheidseffecten afwegen bij veehouderijen: het endotoxine-toetsingskader als voorbeeld

Wouter Moonen (Provincie Noord-Brabant) en Inge Wouters (IRAS, Universiteit Utrecht) stelden in een workshop de afweging van gezondheid in vergunningverlening milieu en ruimtelijke ordening bij de toetsing van ontwikkelingen rond veehouderijen centraal. In Noord-Brabant is hiervoor een instrument ontwikkeld, het endotoxine-toetsingskader. Uit voorzorg wordt er op een andere manier dan gebruikelijk, de afweging gemaakt. Moonen en Wouters: “In de workshop stonden we met de deelnemers stil bij de achtergrond, praktijktoepassing en doorontwikkeling hiervan. Hierbij bespraken we of dit ook (met het oog op de omgevingswet en de ambities voor een gezonde leefomgeving) een rol kan spelen in de verbetering van de leefomgeving buiten Noord-Brabant.”