Op donderdag 16 mei 2024 van 15:30-16:30 uur organiseerden wij een webinar over luchtverontreiniging en COVID-19 in Nederland.

Verslag

Begin april 2024 publiceerde het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) het rapport Luchtkwaliteit en COVID-19. De aanleiding voor dit onderzoek was de bezorgdheid over een mogelijke samenhang tussen luchtkwaliteit en het aantal mensen met COVID-19 tijdens de eerste Coronagolf. Tijdens de eerste golf leek het erop dat in gebieden met luchtverontreiniging meer mensen COVID-19 kregen en ook vaker ernstig ziek werden. Tijdens het webinar “Luchtvervuiling en COVID-19: bijdrage van verschillende bronnen van luchtvervuiling” van het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid presenteerden Lapo Mughini-Gras en Renske Nijdam de wetenschappelijke resultaten van dit rapport en de duiding voor de praktijk.

In juni 2020 organiseerde het Kennisplatform ook een webinar, waarbij dit aan de orde kwam en nader onderzoek werd aangekondigd. Dat onderzoek is nu afgerond. Als Kennisplatform besteden we aandacht hieraan, omdat veehouderij een van de onderzochte bronnen is.

Luchtvervuiling geeft grotere kans op SARS-CoV-2 infectie en ernstige ziekte door corona

Presentatie door Lapo Mughini-Gras (RIVM en IRAS Institute for Risk Assessment Sciences (Institute for Risk Assessment Sciences))

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht, Wageningen Bioveterinary Research, GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst) GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio) en RIVM hebben het effect van langdurige en kortdurende blootstelling aan luchtverontreinigende stoffen (PM2,5 en PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide)) uit verschillende bronnen (bijv. wegverkeer, industrie, veehouderij) op COVID-19 onderzocht. Ze onderzochten hierbij het aantal mensen dat besmet werd met het virus, het aantal ziekenhuisopnames en de sterfte door COVID-19.

Samenvattend hangt een verhoogde blootstelling aan luchtverontreiniging in de voorafgaande één of twee weken (kortdurende blootstelling) samen met meer ziekenhuisopnames en sterfte door COVID-19 in vergelijking met andere luchtweginfecties.

Mensen die wonen op adressen met relatieve slechtere luchtkwaliteit door fijnstof en stikstofdioxide (langdurige blootstelling) hebben meer kans om corona te krijgen. Ook is het risico groter om ernstige COVID-19 te hebben (ziekenhuisopnames en sterfte).

Alle bestudeerde bronnen van fijnstof dragen bij aan de nadelige effecten van COVID-19. Veehouderij draagt bij aan zowel een verhoogd risico op besmetting als op ernstige COVID-19 (ziekenhuisopnames en sterfte). Wegverkeer lijkt meer invloed te hebben op de ernst van de ziekte dan op de kans op infectie. Fijnstof uit industrie bleek een risicofactor voor andere luchtweginfecties dan COVID-19.

Luchtverontreiniging en COVID-19: Vertaalslag naar de praktijk

Presentatie door Renske Nijdam ( GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst))

Renske benadrukt dat luchtkwaliteit een direct effect heeft op gezondheid: slechtere luchtkwaliteit heeft een bijdrage van 4% aan de ziektelast in Nederland. Dit is vergelijkbaar met de ziektelast van overgewicht. Gemiddeld leven mensen in Nederland 10 maanden korter door slechtere luchtkwaliteit (in 2021). Dit maakt duidelijk hoe belangrijk het verbeteren van de luchtkwaliteit en het voorkomen van een volgende pandemie is.

Een initiatief om pandemische paraatheid te versterken is het Actieprogramma Pandemische Paraatheid. Deze beleidsopgave omvat onder andere versterking van de GGD’en en verbetering van de informatievoorziening om beter voorbereid te zijn op nieuwe pandemieën  en om de ziekte- en sterftelast, de economische gevolgen en gevolgen voor welzijn te beperken.

Verbeteren van de luchtkwaliteit kan op veel manieren. Ook individuele leefstijlfactoren kunnen de luchtkwaliteit beïnvloeden. Burgers kunnen zelf de luchtkwaliteit verbeteren door de houtkachel uit te laten, openbaar vervoer te gebruiken en minder vlees, eieren en zuivel te eten. Op het niveau van de leef-, woon-, en werkomstandigheden kunnen groen in de leefomgeving of mobiliteit (openbaar vervoer, fietsen) een invloed op de luchtkwaliteit hebben. Voorbeelden waar verbeteringskansen mogelijk zijn omvatten industrie, energie (emissie-eisen), scheepvaart en landbouw (veestapel). Veehouderijen zijn met een bijdrage van 18% aan PM2,5 en 21% aan PM10 één van de belangrijkste bronnen van fijnstof in Nederland.

Om de gemeenten te adviseren hebben GGD’en een stappenplan met de meest effectieve maatregelen voor luchtkwaliteit. Daarnaast is het belangrijk draagvlak te creëren voor de ambities en maatregelen om met elkaar de luchtkwaliteit te verbeteren. Hierbij kan het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondersteunen. De Rijksoverheid, provincies en gemeenten hebben SLA ondertekend met het doel de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren om gezondheidswinst te behalen.  GGD ‘en adviseren gemeenten over het belang van schone lucht en mogelijke maatregelen. Zij kunnen gemeenten ondersteunen door gezondheidskoppelingen te maken en op gemeenteniveau gezondheidsimpact van luchtvervuiling en de vervuilende bronnen in kaart te brengen. Hierbij is van belang dat gemeenten zelf ook uitvoeringsagenda’s opstellen en uitvoeren.

Een meer regionaal voorbeeld daarvan is de Brabantse Omgevingsscan. De themakaart Lucht koppelt informatie over luchtkwaliteit aan gezondheidsinformatie. Gemeenten zijn ook bezig met het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). Ook daarin zitten kansen om een koppeling te leggen met de inrichting van de fysieke leefomgeving en het belang van maatregelen voor schone lucht.

Renske roept op om samen te werken aan een gezonde leefomgeving en dat schonere lucht niet alleen gezonder is, maar ook een gezamenlijke verantwoordelijk is van gemeenten, ondernemers, het Rijk en burgers.

Samenvatting van de vragen en antwoorden

  • Sommige bronnen van fijnstof, zoals veehouderij, lijken meer invloed te hebben op de kans op een besmetting of de ernst van de ziekte. Mogelijk komt dat doordat de samenstelling van het fijnstof kan verschillen tussen bronnen. Zo kunnen er andere componenten in zitten en daardoor kan de toxiciteit verschillen. Dat is echter in deze studie niet onderzocht.
  • Alle bronnen van luchtverontreiniging zijn meegenomen in deze studie en daarnaast zijn sommige bronnen apart bestudeerd. Bij de keuze welke bronnen nader bekeken zijn, zijn het handelingsperspectief, de maatschappelijke aandacht, de complexiteit van het onderzoek en de doorlooptijd meegenomen. De binnenlandse bronnen industrie, wegverkeer en veehouderij leveren een belangrijke bijdrage aan de luchtverontreiniging in Nederland. Ook is redelijk goed bekend waar de uitstoot van deze bronnen plaatsvindt.
  • Er werden geen significante effecten van luchtvervuiling uit industrie op infectierisico, ziekenhuisopname of sterfte door COVID-19 gevonden. Het beperkte verschil in het risico op COVID-19 tussen de hoog-blootgestelde en de laag-blootgestelde populatie betekent niet dat deze blootstelling aan luchtvervuiling gezond is. Maar de luchtvervuiling van industrie blijkt geen invloed te hebben op COVID-19. Het verschil tussen hoge en lage blootstelling is met deze aanpak moeilijk te zien. Er is verder niet onderzocht waardoor er verschillen zijn in de invloed van een bron op de kans op besmetting of de ernst van de ziekte.
  • Dit onderzoek was niet bedoeld om te kijken of luchtkwaliteit van invloed is op de langdurige gevolgen van COVID-19 (long-COVID of post-COVID). Voorlopig is er dus nog geen plan voor een studie naar luchtkwaliteitsgegevens na COVID-19 en gezondheidsaandoeningen. Dit staat in het rapport beschreven.
  • Sommige fijnstofdeeltjes worden rechtstreeks uitgestoten in de lucht (primair fijnstof). Andere fijnstofdeeltjes worden in de lucht gevormd door atmosferische processen en ammoniak draagt daaraan bij. Ammoniak is daardoor meegenomen in het onderzoek als onderdeel van fijnstof, maar is niet als aparte component onderzocht. 
  • Binnen het programma Pandemische Paraatheid is hard gewerkt om beleid te maken en de capaciteit op te schroeven om beter voorbereid te zijn op een pandemie. De deskundigen vragen zich continue af of we voldoende voorbereid zijn en proberen daarop te reageren. De resultaten uit de studie zijn niet te gebruiken bij het voorkomen van een pandemie. 

Over de sprekers

Lapo Mughini-Gras is dierenarts-epidemioloog, top-expert One Health-risicoanalyse bij het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en universitair hoofddocent voedselveiligheid en volksgezondheid aan het Institute for Risk Assessment Sciences ( IRAS Institute for Risk Assessment Sciences (Institute for Risk Assessment Sciences)) van de Universiteit Utrecht.

Renske Nijdam is senior-adviseur milieu en gezondheid bij GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst)’en Brabant en tot voor kort landelijk voorzitter van de Vakgroep Milieu en Gezondheid van GGD GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio) Nederland. Zij was voorzitter van de landelijke GGD-werkgroep veehouderij en actief betrokken bij het Kennisplatform.