In een aantal gebieden in Nederland hebben veel mensen klachten en zorgen over geur van veehouderijen. Een deel van deze mensen vraagt zich af of dit effecten heeft op hun gezondheid. Ook vragen mensen zich af hoe het kan dat veehouderijen aan regelgeving en vergunning voldoen terwijl er toch overlast is. In het algemeen kan geur hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress-gerelateerde gezondheidseffecten veroorzaken. Hoe ontstaan deze effecten? Is hinder wel een gezondheidseffect? En is iedereen evenveel gehinderd of spelen daar andere factoren een rol bij? Hoe wordt bepaald hoeveel hinder aanvaardbaar is? Zijn de modelberekeningen goed genoeg om de geurbelasting en de geurhinder te bepalen?

In dit kennisbericht Geur zet het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid de bestaande kennis over gezondheidseffecten, de berekenings- en meetmethoden voor de geurbelasting van veehouderijen in de omgeving en grenswaarden op een rij. Het kennisbericht gaat niet in op oplossingsrichtingen. Wel worden de lacunes in kennis beschreven.

Het kennisbericht is primair opgesteld voor professionals, die betrokken zijn bij beleids- en besluitvorming en uitvoering op dit terrein. Het bevat geen nieuwe kennis, maar biedt een bundeling van de beschikbare kennis in het licht van maatschappelijke vragen en het geeft aan over welke zaken nog weinig bekend is. Dit kan het maatschappelijk debat over veehouderij, geur en gezondheid ondersteunen.

Geur van veehouderij

Geur wordt waargenomen na inwerking van geurstoffen op de receptoren in het reukepitheel in de neus (het reukorgaan). Het kan gaan om één geurstof of een mix van geurstoffen in de lucht. De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage concentraties. De geur van een veehouderij wordt vooral veroorzaakt door de uitwerpselen (mest) van dieren. Ook het voer kan geur veroorzaken. Geur van de veehouderij bestaat meestal uit een mix van tientallen gasvormige componenten, waarbij met name vluchtige organische koolwaterstoffen (vetzuren, fenolen en indolen) en zwavelhoudende componenten (sulfiden) een rol spelen. Ammoniak kan in de stal een geurcomponent zijn, maar wordt bij het vrijkomen uit de stal zo sterk verdund dat het in de omgeving geen rol meer speelt bij de geurwaarneming van stallucht. Geurstoffen kunnen ook deels gebonden zijn aan stof. Geur komt vrij uit de stal, mestbassins, bij de mestverwerking en de productie en opslag van voer. Ook is er geuremissie bij het uitrijden en aanwenden van mest op het land. Het Kennisplatform heeft een apart Kennisbericht Mestbewerking.

Gezondheidseffecten van geur

De kennis over gezondheidseffecten van geur is gebaseerd op onderzoek naar de geur van verschillende bronnen, zoals van industriële bedrijven en veehouderijen. De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage hoeveelheden. Bij die lagere concentraties geeft de stof zelf over het algemeen geen gezondheidseffecten, maar zijn er alleen aan de waarneming van de geur gezondheidseffecten verbonden. De geur kan verschillende gezondheidseffecten tot gevolg hebben: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten, en mogelijk stress-gerelateerde gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid. Er zijn algemene relaties voor de geurbelasting van veehouderijen en het percentage gehinderden afgeleid. Naast de geurbelasting is er een groot aantal persoonsgebonden factoren en omgevingsfactoren die deze relatie beïnvloedt, zodat lokaal zowel minder als meer hinder op kan treden dan verwacht.

In het rapport ‘Dosis effect relatie geur; effecten van geur’ is een model opgenomen, dat beschrijft hoe geurblootstelling kan leiden tot verschillende gezondheidseffecten. Wanneer iemand geur waarneemt, wordt eerst beoordeeld wat de betekenis van deze geur is. Wordt de geur als onaangenaam of de situatie als potentieel bedreigend beschouwd, dan kan dit leiden tot (ernstige) hinder en/of verstoring van gedrag of activiteiten, bijvoorbeeld het sluiten van ramen. Vervolgens wordt beschouwd hoe met die potentieel bedreigende situatie overweg gegaan kan worden. Dit wordt coping genoemd. Wordt ervaren dat de eigen vermogens tot coping onvoldoende zijn, dan zal er stress worden ervaren met de daarmee gepaard gaande fysiologische effecten. De hinder kan dan gepaard gaan met stress-gerelateerde gezondheidseffecten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid.

Op basis van de definities van de WHOWorld Health Organization (Wereldgezondheidsorganisatie) en de Gezondheidsraad kan hinder als een gezondheidseffect geïnterpreteerd worden. Volgens de definitie van de WHO is gezondheid een toestand van volledig lichamelijk, mentaal en sociaal welbevinden en niet slechts de afwezigheid van ziekte. De Gezondheidsraad hanteert als definitie van hinder: een gevoel van afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid, dat optreedt wanneer een milieufactor iemands gedachten, gevoelens of activiteiten negatief beïnvloedt. Als iemand hinder ervaart heeft dit dus effect op zijn of haar welzijn. Hinder is daarmee te beschouwen als een gezondheidseffect. Zodra een geur kan worden waargenomen kan iemand daardoor gehinderd zijn. Over het algemeen wordt het aanvaardbaar geacht als er mensen soms gehinderd zijn, omdat hinder geen (ernstige) ziekte is. Maar als veel mensen zijn gehinderd in bijvoorbeeld een woonwijk, is niet te zeggen of dit aanvaardbaar is. Er zijn geen gezondheidskundige advieswaarden voor de mate van hinder. In principe is het een bestuurlijke afweging om te bepalen welke mate van hinder aanvaardbaar is. In ‘Hoeveel hinder is aanvaardbaar?’ worden hiervoor enkele handvatten gegeven.

Ja, verstoring van gedrag en activiteiten en stressgerelateerde gezondheidsklachten zijn andere gezondheidseffecten die door blootstelling aan geur kunnen optreden. Deze effecten zijn minder goed onderzocht dan hinder. Verstoring door geur kan zich uiten in het sluiten van ramen, het niet graag buiten zijn, niet graag thuis zijn, bezoek niet graag ontvangen, vertrouwde of aangename geuren niet meer kunnen ruiken of minder diep ademhalen. Ook kunnen mensen niet graag op bezoek komen, omdat het er stinkt. De relatie tussen de geurbelasting en deze effecten is nog onvoldoende onderzocht.

Bloostelling aan geur kan stressgerelateerde gezondheidseffecten tot gevolg hebben, waaronder hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid. De resultaten van onderzoeken naar het verband tussen de geurbelasting en deze gezondheidsklachten zijn echter niet eenduidig. Een verband met een bepaalde gezondheidsklacht wordt in de ene studie wel en in een andere studie niet gevonden.

In 2015 is een Nederlandse studie verschenen, waarin de relatie tussen (geur)hinder en stress gerelateerde lichamelijke klachten is onderzocht. Mensen die hinder ervaren rapporteerden een minder goede gezondheid, meer luchtweg-, maag- en darmklachten, neurologische en stress gerelateerde symptomen dan mensen die geen hinder ervaren. Dit waren zelfgerapporteerde klachten en symptomen. Ze gingen niet vaker naar de huisarts voor deze klachten en symptomen. Een relatie tussen de klachten en symptomen en de geurblootstelling werd in deze studie niet bestudeerd.

Geurhinder

Wanneer iemand geur waarneemt, wordt eerst beoordeeld wat de betekenis van deze geur is. Wordt de geur als onaangenaam of de situatie als potentieel bedreigend beschouwd, dan kan dit leiden tot (ernstige) hinder en/of verstoring van gedrag of activiteiten, bijvoorbeeld het sluiten van ramen.

Op basis van de definities van de WHOWorld Health Organization (Wereldgezondheidsorganisatie) en de Gezondheidsraad kan hinder als een gezondheidseffect geïnterpreteerd worden. Volgens de definitie van de WHO is gezondheid een toestand van volledig lichamelijk, mentaal en sociaal welbevinden en niet slechts de afwezigheid van ziekte. De Gezondheidsraad hanteert als definitie van hinder: een gevoel van afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid, dat optreedt wanneer een milieufactor iemands gedachten, gevoelens of activiteiten negatief beïnvloedt. Als iemand hinder ervaart heeft dit dus effect op zijn of haar welzijn. Hinder is daarmee te beschouwen als een gezondheidseffect. Zodra een geur kan worden waargenomen kan iemand daardoor gehinderd zijn. Over het algemeen wordt het aanvaardbaar geacht als er mensen soms gehinderd zijn, omdat hinder geen (ernstige) ziekte is. Maar als veel mensen zijn gehinderd in bijvoorbeeld een woonwijk, is niet te zeggen of dit aanvaardbaar is. Er zijn geen gezondheidskundige advieswaarden voor de mate van hinder. In principe is het een bestuurlijke afweging om te bepalen welke mate van hinder aanvaardbaar is. In ‘Hoeveel hinder is aanvaardbaar?’ worden hiervoor enkele handvatten gegeven.

Nee, niet iedereen die aan geur blootgesteld wordt zal hinder ervaren of in dezelfde mate gehinderd zijn. Naast de geurbelasting kunnen geurkarakteristieken en een groot aantal demografische, sociaaleconomische, persoonsgebonden en cognitieve kenmerken van invloed zijn op of en in welke mate hinder wordt ervaren.

Geurkarakteristieken

Of de blootstelling aan geur tot geurhinder leidt is afhankelijk van verschillende geurkarakteristieken. Vooral van invloed zijn de sterkte van de geur (geurconcentratie), de duur van de geur (hoe vaak en hoe lang komt de geur voor) en de (on)aangenaamheid van de geur (hedonische waarde). In het algemeen geldt dat meer hinder wordt ervaren als de geurconcentratie hoger is, de geur vaker wordt geroken en de geur onaangenamer is. Als men langer aan een geur wordt blootgesteld treedt gewenning op. Dit leidt tot minder hinder. Bij snelle wisselende geurconcentraties in de buitenlucht door variabele bronsterkten en weersomstandigheden zal er echter geen of minder gewenning zijn.

Demografische en sociaaleconomische kenmerken

Demografische en sociaaleconomische kenmerken beïnvloeden de mate van ervaren hinder. Jongeren en vrouwen ervaren over het algemeen meer hinder. Mensen met een hogere sociaaleconomische status (SESSociaal Economische Status ) rapporteren doorgaans meer klachten dan mensen met een lagere SES. Een persoon die een band heeft met de veroorzaker van de geur (bijvoorbeeld omdat men er werkt of in de sector werkzaam is) heeft vaak minder last van de geur.

Persoonsgebonden en cognitieve kenmerken

Mensen met ziekten zoals astma en allergie ervaren vaak eerder hinder dan anderen. Mensen hebben verschillende coping strategieën. Mensen met een probleemgerichte coping strategie zijn gewend het probleem aan te pakken en actie te ondernemen, dit in tegenstelling tot mensen met een vermijdende coping strategie. Mensen die in hoge mate een probleemgerichte coping strategie hebben en mensen die een sterk probleem vermijdende coping strategie hebben, ervaren meestal meer hinder dan mensen die lager scoren op deze strategieën. Cognitieve kenmerken geven aan hoe mensen informatie selecteren en verwerken. Als men afwijzend staat ten opzichte van het betreffende bedrijf en/of de overheid niet vertrouwt in het opstellen van beschermende maatregelen, zal men eerder hinder rapporteren. Dit kan ook het geval zijn als men verwacht dat de geur toeneemt in de toekomst. Als mensen geloven dat de geur, of de bron van die geur, gevaarlijk kan zijn voor hun gezondheid, dan is het mogelijk dat zij de geur sterker waarnemen en meer hinder ervaren.

Factoren die het meeste invloed hebben

Voor de meeste bovengenoemde factoren is de invloed niet in elk onderzoek aangetoond. Voor enkele factoren is wel in de meeste onderzoeken een invloed op de mate van hinder vastgesteld. Deze factoren, die meer hinder geven, zijn een hogere geurbelasting, een lage hedonische waarde (onaangename geur) en een hogere frequentie (vaker waargenomen) van de geur, een sterk probleemgerichte copingstijl, een negatieve houding ten opzichte van de bron, de verwachting dat de geur zal toenemen, bezorgdheid of angst voor gezondheidseffecten en een ervaren slechte eigen gezondheid.

Meten van geur

In principe kan de geurbelasting in de omgeving van veehouderijen gemeten worden, maar de geurconcentraties zijn veelal te laag om betrouwbare metingen mogelijk te maken. Ook zijn er vaak meer veehouderijen in de omgeving aanwezig, zodat het niet eenvoudig is om de geurbronnen van elkaar te onderscheiden. Verder kunnen de geuremissies soms sterk variëren, waardoor het lastig is om representatieve metingen te doen van de geurconcentraties in de omgeving.Het is dan ook lastig om geurconcentraties in de omgeving aan de geuremissie van een veehouderij te koppelen. E-noses zijn nog in ontwikkeling voor toepassing op veehouderijen, bijvoorbeeld voor de monitoring van de geurproblematiek.

Olfactometrie

Geur wordt over het algemeen gemeten met behulp van de menselijke neus. Volgens een gestandaardiseerde methode worden met behulp van een olfactometer verschillende verdunningen gemaakt van een luchtmonster dat geurcomponenten bevat. Deze verdunningen worden aangeboden aan een panel van personen. Deze personen moeten voldoen aan een gevoeligheid voor geur die binnen een bepaalde vastgelegde bandbreedte van een referentiegeur ligt. Vastgesteld wordt bij welke verdunningsfactor het ‘gemiddelde’ panellid
het verdunde monster juist en met zekerheid kan onderscheiden van geurvrije lucht. Deze verdunningsfactor geeft de geurconcentratie aan. Is de verdunningsfactor bijvoorbeeld 1000 dan is de geursterkte van het oorspronkelijke luchtmonster 1000 ouE/m3odour unit (Europees)  odour unit (Europees)  . Deze methode wordt gebruikt om de geuremissie vast te stellen bijvoorbeeld uit een schoorsteen of uitlaat van een afzuigsysteem. De geurconcentratie in de omgeving van een veehouderij is over het algemeen te laag om op deze wijze te meten. Dan zijn er te weinig verdunningsstappen nodig en is de meting onbetrouwbaar.

Snuffelploeg

Snuffelploegen kunnen gebruikt worden om de geurbelasting in de omgeving van veehouderijen vast te stellen. De snuffelploeg gaat op verschillende afstanden van de geurbron na of geur wordt waargenomen. Voor dergelijke snuffelploegmetingen zijn ook standaard voorschriften. De snuffelploeg bestaat uit een aantal mensen die voldoen aan de eisen voor gevoeligheid voor geur (zie Olfactometrie). Per definitie is de afstand waarbij de helft van de personen in de snuffelploeg de geur net ruikt de geurconcentratie 1 snuffeleenheid per m3 lucht (se/m3). Er bestaat geen vaste verhouding tussen een geureenheid (odourunit) en een snuffeleenheid. Deze verhouding is afhankelijk van andere (achtergrond)geuren en in hoeverre de geur hiervan te onderscheiden is. Bij veehouderijen zijn er vaak meer geurbronnen en is de geur van de ene veehouderij lastig te onderscheiden van een andere veehouderij. Bij veehouderijen variëren de geuremissies vaak sterk over het seizoen of over de dag waardoor het moeilijk is om representatieve snuffelploegmetingen te doen. De uitkomsten van de snuffelploegmetingen (in se/m3) zijn dan ook niet direct te koppelen aan de gegevens over geuremissie (in ouE/m3) in de vergunning. Deze methode wordt daarom niet veel toegepast bij veehouderijen.

E-nose

Een nieuwe ontwikkeling is de e-nose, waarmee vooral ervaring is opgedaan met geur in de omgeving van chemische industrie in de Rijnmond en bij geuroverlast van horeca. Een e-nose heeft verschillende elektrische sensoren. Als gasvormige stoffen in de buitenlucht door deze sensoren gedetecteerd worden geeft de e-nose elektrische signalen. Al deze signalen vormen een patroon, een fingerprint. Een e-nose meet geen specifieke stoffen en kan daarmee ook niet de concentratie van die stoffen vaststellen. Door eerst de fingerprint van de geur van een bedrijf bij de bron vast te stellen, kan vervolgens in de omgeving de fingerprint van de buitenlucht bepaald worden. Beoordeeld kan worden of deze hetzelfde is als die van de geur van het bedrijf. Zo kan met de e-nose wel nagegaan worden of de geurbron in de omgeving waargenomen kan worden. De e-nose kan alleen als signaal dienen. In de Rijnmond konden met de e-nose afzonderlijke bronnen goed onderscheiden worden. Ook waren de e-noses een goede indicator voor het optreden van geurklachten.
In de omgeving van een veehouderij is alleen een pilot uitgevoerd. Op grotere afstand van de veehouderij in de woonomgeving kon met de e-nose geen signaal worden waargenomen. De concentratie van de stoffen was te laag en/of de sensoren niet gevoelig genoeg. Wanneer de e-nose dicht bij de veehouderij geplaatst werd, kon de e-nose wel signalen waarnemen. Deze kunnen in combinatie met heersende windrichting voorspellend zijn voor geurwaarneming bij omwonenden. Bij veehouderijen wordt de meerwaarde van de inzet van e-noses beperkt door de lagere concentraties in de omgeving van een veehouderij en het feit dat er vaak meerdere geurbronnen zijn, zoals andere veehouderijen, de opslag van mest of voer, laden en lossen van dieren of voer en het aanwenden van mest, die moeilijk van elkaar onderscheidbaar zijn. Er wordt nog verder onderzocht hoe de e-nose zinvol ingezet kan worden voor bijvoorbeeld de monitoring van de geurproblematiek bij veehouderijen.